De redactie van Nieuwegein HU ontmoet Paula Keessen. Een vrouw die op haar 18e de Jehovah's Getuigen verliet. Aan ons vertelt ze hoe haar jeugd eruit zag en hoe het was om uitgesloten te worden door de gemeenschap en haar ouders.

Paula Keessen is 42 jaar oud en is werkzaam als accountmanager in Utrecht. Ze was 18 jaar oud toen ze werd uitgesloten door de Jehovah’s Getuigen en ze stond er alleen voor. Nu, 25 jaar later krijgt ze nog steeds de vraag hoe het is om Jehovah’s Getuige te zijn. Ze heeft besloten hierover een boek te schrijven en wij vroegen haar naar de ervaringen die zij gehad heeft in haar leven als Jehovah’s Getuige en de manier waarop zij werd uitgesloten.

WAT GELOVEN JEHOVAH’S GETUIGEN NU EIGENLIJK?

“Jehovah’s Getuigen geloven dat Armageddon komt. Dit is de oordeelsdag waarop god de mensheid gaat beoordelen. Als je deze dag overleeft kom je in het paradijs waarin alles perfect is. Een klein groepje van 144.000 mensen gaat naar de hemel, hier zullen ze regeren over het paradijs. De Jehovah’s Getuigen hebben hele mooie sprookjesboeken over het paradijs voor kinderen, waardoor iedereen daar in wil komen. Je moet je aan de regels houden om in het paradijs te komen, Jehovah’s Getuigen zullen dit zelf echter niet zeggen, want alleen god kan daarover oordelen. Maar daar komt het wel op neer. Je mag bijvoorbeeld niet roken, geen drugs gebruiken, geen seks voor het huwelijk en je mag geen bloed tot je nemen, denk aan bloedtransfusies. Dit zijn dingen die echt niet mogen. Daarnaast moet je een goede christen zijn. Dat betekent dat je naar de vergadering gaat. Deze is drie keer in de week. Je moet langs de deuren: de velddienst. Dit moet allemaal van jongs af aan. Elke maand lever je een rapport in met hoeveel uur je langs de deuren bent gegaan en of je bijvoorbeeld tijdschriften hebt verkocht. Er is eigenlijk geen mogelijkheid om dit niet te doen. Als kind vond ik het niet erg om langs de deuren te gaan, maar toen ik op de middelbare school zat vond ik het moeilijker. Ik moest bijvoorbeeld bij klasgenoten langs de deuren. Op mijn vijftiende ben ik gestopt met de velddienst.”

PLATENSPELER

“Wij hadden vroeger een platenspeler thuis en ik luisterde graag naar muziek uit de jaren 60. Het waren hele brave liedjes, maar als je goed naar de tekst luisterde, hoorde je dat het over seks ging. Ik zong die liedjes graag en ik wist natuurlijk helemaal niet waar ze over gingen. Toen mijn vader hoorde wat de betekenis van de liedjes waren, besloot hij dat ik geen muziek meer mocht luisteren. Hij heeft toen de hele LP-collectie buiten door midden staan breken. Over seks wordt niet gepraat in de Jehovah’s gemeenschap. Je mag wel seks hebben, maar het mag alleen binnen het huwelijk en op de ‘standaard’ manieren. Dus in het missionaris-standje en zeker niet te veel. Seks is niet zondig, maar het wordt wel afgeschilderd als iets vies. Toen ik in de pubertijd kwam ging ik vragen stellen over dingen als masturberen, alleen die woorden uitspreken resulteerde al in grote ruzies. Er is ook veel lectuur van de Jehovah’s Getuigen, die dit soort onderwerpen bespreken. Ik heb dit een tijdje terug een keer online opgezocht, dan snap ik dat je geen zin meer hebt in seks. Het wordt afgedaan als iets waar je je niet mee bezig wilt houden. Die ontwikkeling is bij mij dus ook heel erg achtergebleven, tot ik uitgesloten was.”

OPGROEIEN ALS JEHOVAH’S GETUIGE & UITSLUITINGSPROCEDURE

“Toen ik op een leeftijd kwam waarin ik zelf meer ging nadenken en dingen in twijfel ging trekken, ging het mis. De bedoeling is dat je alles klakkeloos overneemt en gelooft. Op de middelbare school kwam ik in aanraking met mensen die uit gingen of rookten. Dat kende ik helemaal niet en dan ga je vragen stellen. Er was veel ruzie thuis toen ik kritischer werd, maar ik had nooit het gevoel dat het klopte wat mijn ouders me vertelden en ik geloofde niet in een god. Op mijn vijftiende besloot ik dat ik niet meer langs de deuren ging. Dit gaf spanningen, maar ik ging nog wel naar de vergaderingen. Ik stopte met school en besloot dat ik nog één keer alles goed ging bestuderen en te kijken of mijn twijfels over het geloof na mijn onderzoek nog steeds zo aanwezig zouden zijn, want ik dacht: ik word hier niet gelukkig.

Je gaat niet zomaar weg. Op het moment dat jij weg gaat, mag niemand meer met je praten. Ook je ouders en broers en zussen niet, je bent dan namelijk slechte invloed. Ik ging uit huis en leerde een jongen kennen. Hij was geen Jehovah’s Getuige, dus dat was een probleem. Ik besloot ook nog eens seks met hem te hebben. Dat mag natuurlijk al helemaal niet. Ik heb het toen opgebiecht bij het comité van ouderlingen. Bij een vergadering wordt dan omgeroepen: ‘Paula Keessen heeft een zonde begaan en ze heeft geen berouw dus ze wordt uitgesloten.’ Iedereen weet wat dit betekent. Het betekent dat je zo’n persoon niet mag groeten en niet mee mag praten. Als je iets gedaan wat niet mag, zelfs al is het de ergste zonde die er bestaat en je hebt berouw (en je laat ook echt zien dat je berouw hebt door naar de vergaderingen te gaan en de zonde niet meer te doen) dan wordt je niet uitgesloten. Ik had geen berouw en ik wist ook dat ik uitgesloten zou worden als ik het zou opbiechten. Het was dus een bewuste keuze. Ik had het ook geheim kunnen houden. Mijn ouders hebben nooit meer iets van zich laten horen. Ik heb nog wel een paar keer zelf geprobeerd contact met ze op te nemen. Toen ik ging trouwen dacht ik: ‘Dit is de laatste keer dat ik contact met ze zoek, ik ga ze uitnodigen voor de bruiloft.’ Maar ze kwamen niet en lieten niets van zich horen.”

EEN LEVEN IN VRIJHEID

“Ik ben wereldvreemd opgevoed. Iedereen die je kent is Jehovah’s Getuige en je wordt erg beperkt in je omgang met anderen. Ik mocht bijvoorbeeld niet naar de bioscoop of afspreken met mensen buiten de gemeenschap. Ik was 18 en kreeg te maken met dingen die ik helemaal niet kende. Zoals verjaardagen en cafés. Ik kwam voor de eerste keer in een cafe en mensen zaten gewoon een biertje te drinken. Ik had het veel extremer verwacht, ik heb namelijk altijd geleerd dat cafés slecht waren en er hele rare dingen gebeuren.

Het was geen leuke periode. Ik had op de een op andere dag geen ouders en geen vrienden meer. Nu, 25 jaar verder zie ik nog steeds de impact die het heeft om je ouders niet meer te zien. Als kind in een ‘normaal’ gezin krijg je te horen dat je moeder van je houdt, wat er ook gebeurd. Bij mij was dit niet zo. Mijn ouders hielden alleen van me als ik deed wat zij zeiden. Ik heb nog steeds problemen met liefde. Ik vind het moeilijk om te voelen dat iemand die geen bloedband met mij heeft ‘ik hou van jou’ zegt. Dan denk ik: ‘waarom?’ Mijn eigen moeder houdt niet eens van me. Ik kan het redelijk goed verklaren en het een plekje geven. Maar het is wel een gemis wat mijn hele leven zal blijven.”

DE GODDELOZE

“Ik loop al heel lang met de gedachte rond om een boek te schrijven en heb mijn boek De Goddeloze nu bijna af. Niet in roman-vorm, maar echt om mensen te informeren. Als ik mensen vertel dat ik Jehovah’s Getuigen ben geweest, zeggen ze altijd twee dingen: ‘Dat zijn die mensen die langs de deur gaan.’ en ‘Die mensen zijn altijd zo aardig.’ Dat klopt ook. Want ze zijn heel aardig, maar er zit veel meer achter. De manier waarop je wordt uitgesloten door mensen die van je horen te houden, heeft een grote impact op je leven. Ik werd een beetje moe van al deze reacties en wilde laten zien hoe mijn leven eruit heeft gezien. Er zijn ook mooie dingen aan mijn jeugd. Zo had ik het als kind altijd wel naar mijn zin. We deden leuke dingen samen. We hadden geen TV en hierdoor deden we heel veel spelletjes. Daarnaast wilde ik in mijn boek vertellen wat het met je doet als je ouders je niet meer willen zien. Ik schrijf ook dingen op die mensen misschien niet weten. Wat er bijvoorbeeld gebeurt op een vergadering.  Ik heb het boek redelijk zakelijk geschreven, anders had ik het niet gekund. Er zitten zeker ook dramatische stukken in, maar ik heb wel een beetje afstand genomen. Ik heb het boek nu bijna af, ik moet het alleen nog laten drukken. Met dit boek wil ik Jehovah’s Getuigen niet zwart maken, maar ik wil af van het beeld: ‘Oh, dat zijn die vriendelijke mensen.’ Want achter die vriendelijke glimlach, gaat heel veel ellende schuil.”